DOSSIER

KERKFABRIEKEN HEBBEN EEN LANGE GESCHIEDENIS

Tussen overheid en geloof

Elke Vlaamse gemeente heeft een kerkfabriek binnen haar grenzen; vaak zelfs meerdere. Wat is precies het statuut en takenpakket van deze instelling die ergens tussen parochie en overheid zweeft? Het portret van een instituut dat stormen en revoluties doorstond. MICHAëL VANDAMME

Courante benamingen dekken niet altijd de lading. "De term 'kerkfabriek' mag dan behoorlijk ingeburgerd zijn, toch zou het correcter zijn te spreken over 'besturen van erediensten', want daar draait het de facto om", legt Bart Van Dooren, adviseur bij het Agentschap Binnenlands Bestuur, uit. "De term kan enigszins verwarrend overkomen, maar in essentie zijn het openbare instellingen die zich bezighouden met de materiële kant van de erediensten. Dat is iets anders dan de zuiver parochiale werking, waarvoor niet in overheidsfinanciering voorzien is."

De kerkfabriek heeft een geschiedenis van eeuwen. Vooral wat gebeurde tijdens de Franse Revolutie springt in het oog. "De annexatie van onze gewesten door Frankrijk in 1795 was erg belangrijk voor dit verhaal", legt Bart Van Dooren uit. "Geheel in de lijn van de Franse Revolutie werden alle gebouwen van eredienst genationaliseerd. Na het concordaat dat Napoleon in 1802 met de paus sloot, werden die opnieuw ter beschikking gesteld voor erediensten. Het keizerlijke decreet van 1809 dat deze regeling uittekende, bleef nog lange tijd van kracht in onze contreien, zelfs na de Belgische onafhankelijkheid. Er kwam pas een einde aan met het decreet op de erediensten van 2004. "

"Maar er waren al kerkfabrieken voor de tijd van Napoleon", vult Frank Judo, advocaat-vennoot bij het Kantoor Liedekerke in Brussel, aan. "Het is met andere woorden een prerevolutionaire instelling, gerestaureerd volgens zijn model."

1731 kerkfabrieken

Kerkfabrieken

Anno 2017 telt Vlaanderen - erediensten zijn een gewestelijke bevoegdheid - precies 1731 kerkfabrieken. "Per definitie is er één kerkfabriek per parochie", aldus Frank Judo. "Doorgaans valt het gebied waarin een kerkfabriek werkt, ook volledig binnen de contouren van één gemeente. Maar soms niet, al was het maar omdat sommige parochies de gemeentelijke grenzen overstijgen. Als parochies fuseren, dan zullen de betrokken kerkfabrieken volgen. De vraag naar de ideale omvang van een kerkfabriek is een oude discussie. Voor de overzichtelijkheid creëerde men ook een intermediaire structuur: bevinden er zich verschillende kerkfabrieken binnen één gemeente, dan is er een centraal kerkbestuur. Antwerpen spant met 61 kerkfabrieken op zijn grondgebied wellicht de kroon."

De kerkfabrieken beheren substantiële bedragen. "De jaarlijkse exploitatie-uitgaven van alle besturen van de eredienst samen bedragen om en bij 80 miljoen euro", aldus Bart Van Dooren. "Zo'n 42,5 miljoen euro aan toelagen komt van de gemeenten en provincies. En daarbij moeten nog de investeringen geteld worden. Alleen al de gebouwen van de eredienst zijn goed voor jaarlijks ongeveer 50 miljoen euro aan uitgaven."

Kerkfabrieken gefinancieerd met openbare middelen

KERK De kerkfabriek wordt gefinancierd met openbare middelen. © ISTOCK

De andere religies : 'Autonomie moet gerespecteerd worden'

Katholiek, protestants, orthodox, anglicaans, joods en islam zijn de zes erkende godsdiensten in dit land. "Iedereen woont in ons land wel in een parochie", merkt Bart Van Dooren op. "Maar niet iedereen woont in een omschrijving zoals de andere erkende religies die kennen. Deze gebieden zijn vaak ruimer dan één gemeente. Voor het katholicisme is er een regel dat vanaf twee kerkfabrieken in een centraal kerkbestuur moet voorzien worden, bij de andere is dat pas vanaf vier. Een gevolg is dat voor het Israëlisch geloof nergens zo'n centraal bestuur bestaat. Een ander verschil is de subsidiërende overheid. Voor het protestantisme zijn dat ook de gemeenten, terwijl de islam gesteund wordt door het provinciale niveau. Kathedralen krijgen dan weer een aparte provinciale ondersteuning. Ook de geloofsstructuren zijn een belangrijk punt van onderscheid. In die zin is het rooms-katholicisme relatief eenvoudig (lacht). Je hebt een duidelijke hiërarchische structuur, representatief voor de hele geloofsgemeenschap. Bij de orthodoxen is de Grieks-orthodoxe metropoliet de aanspreekpersoon, maar daarnaast bestaan er ook Roemeens- of Oekraïens-orthodoxe kerken die formeel door diezelfde metropoliet vertegenwoordigd worden. En aan protestantse zijde is de situatie zo mogelijk nog complexer. Anders dan calvinisten of lutheranen, zijn er heel wat evangelische kerken die zich tot voor enige jaren vaak bewust ver van deze erkenning hielden, maar nu wel onder een eengemaakte protestants-evangelische koepel erkend kunnen worden."

"Een interessant onderwerp is de positie van de centrale kerkbesturen, een overlegorgaan van de kerkfabrieken in één gemeente", benadrukt Bart Van Dooren. "Strikt genomen hebben die relatief beperkte bevoegdheden, maar ze kunnen wel een erg nuttige rol spelen. De gemeentebesturen hebben één enkel aanspreekpunt, daar waar je anders afzonderlijke gesprekken moest aanknopen met verschillende kerkfabrieken. Zeker als het over investeringen gaat, is die ene instantie waar je contact mee onderhoudt erg handig. De meerwaarde van een goed functionerend centraal kerkbestuur kan niet geloochend worden, toch moeten enkele randvoorwaarden gerespecteerd worden. De kerkfabrieken moeten vrijwillig de stap doen. Het is een vorm van coördinatie, geen fusie. Alleen, hoe ver wil je hierin gaan? Het kan niet de bedoeling zijn dat in zo'n kerkbestuur beslissingen meerderheid tegen minderheid genomen worden. Enkel voor stappen die een breed draagvlak hebben, kunnen centrale kerkbesturen een rol spelen."

Materiële ondersteuning

De kerkfabrieken beheren dus de materiële kant van de eredienst. Hoe loopt dat in de praktijk? "De belangrijkste focus ligt op de gebouwen, kerken op kop", legt Van Dooren uit. "Dat gaat breed: dagelijks onderhoud, renovatie, herstellingen, kortom de exploitatie in de volle betekenis van het woord. We mogen ook niet vergeten dat ongeveer de helft van de kerken beschermde monumenten zijn, wat de zaken complexer maar vooral ook duurder maakt."

"Het 'ondersteunen van de eredienst' reikt verder dan de gebouwen alleen, ook al gaan die met de grootste hap uit het budget aan de haal", vult Frank Judo aan. "De kerkfabrieken kopen bijvoorbeeld ook lithurgische gewaden of hosties aan. Maar met andere activiteiten, ook al zijn die strikt genomen gebonden aan de parochie, mogen ze zich niet inlaten. Op het terrein is er een zekere spanning tussen theorie en praktijk. We zien hoe kerkfabrieken zich ontpoppen als de financiële poot van de parochie. Zo valt steun aan een school of jeugdbeweging buiten hun opdracht; het ondersteunen van de catechese dan weer wel. Dat laatste is immers een activiteit ter voorbereiding op het sacrament."

Politieke instemming

De kerkfabrieken zijn "openbare besturen", klonk het. Wat een aantal verplichtingen, eigen aan publieke diensten, impliceert. "Ze vallen onder de wet op de overheidsopdrachten", verduidelijkt Frank Judo. "Ook de regels over de motivering van individuele beslissingen zijn van toepassing. Ruwweg kunnen we zeggen dat alle grote regels die voor gemeenten en OCMW's gelden, ook voor de kerkfabrieken gelden."

Hun werkingsmiddelen komen dan ook uit belastingen. "Het decreet van 2004 heeft de dingen wat vereenvoudigd", legt Bart Van Dooren uit. "Aan het principe wijzigt niets, alleen wordt niet langer alleen met een jaarlijkse begroting gewerkt, maar steunt de werking van de kerkfabrieken op een meerjarenplan waar aan het begin van de legislatuur overeenstemming over bereikt moet worden. Vroeger kon elk nieuw jaar als het ware synoniem zijn voor discussies en getouwtrek. Nu gebeurt dit slechts eenmaal. Er wordt een meerjarenplan opgesteld, dit vertrekt naar de bisschop voor advies, waarna de gemeenteraad erover stemt."

"In de praktijk kan de manier waarop deze besprekingen gevoerd worden en de akkoorden waarin ze uitmonden sterk verschillen", stelt Frank Judo. "Veel hangt af van de plaatselijke politieke constellatie. Vaak wordt de discussie harder gevoerd, precies omdat ze over een pakket van jaren gaat. Maar zodra er een compromis is, breekt doorgaans een periode van relatieve luwte aan. Nu is de budgettaire realiteit van de meeste gemeenten wat ze is. De klok staat op besparen, wat veelal betekent dat men ook van de kerkfabrieken een inspanning vraagt."

Vele kerkfabrieken houden dan ook de vinger aan de knip, dikwijls door hun werking te rationaliseren. Maar zoiets moet aan de basis ontstaan. De gemeenten kunnen dat niet verplichten. "Zo kan bijvoorbeeld een andere bestemming voor een kerk nooit opgelegd worden", beklemtoont Frank Judo.

KERKFABRIEKEN ZIJN OPENBARE INSTELLINGEN DIE ZICH BEZIGHOUDEN MET DE MATERIëLE KANT VAN DE EREDIENSTEN.

Gewaden en hosties

GEWADEN EN HOSTIES Ook die aankoop behoort tot de taken van de kerkfabriek.

 

Coöptatie

Deel uitmaken van een kerkfabriek was ooit een voorrecht voor de 'notabelen van de gemeente'. Maar de maatschappij veranderde en deze voorwaarde werd geschrapt. Vandaag probeert men vooral mensen met de nodige expertise warm te maken.

"Het is altijd nuttig als je leden hebt die iets weten van financiën, openbaarheid van bestuur of overheidsopdrachten", stelt Bart Van Dooren. In beginsel telt een kerkfabriek vijf leden en om de drie jaar vindt een gedeeltelijke vervanging plaats. "De ene keer de zogenaamde grote helft, drie van de vijf dus, de volgende keer de overige twee", stelt Van Dooren. "Vaak volgen de mensen zichzelf op, maar de kerkfabriek moet wel bekendmaken dat er een vacature is. Normaal zie je dat in elke kerk uithangen. En niet onbelangrijk: de vervanging gebeurt door coöptatie, niet door stemming. Anders gesteld: het zijn de leden die niet vervangen worden die beslissen wie de vrijgekomen zitjes mag opvullen."